Treinramp Harmelen 8 januari 1962

Herinneringen van een 10 jarige.

Op 8 januari 1962 vond ter hoogte van Harmelen de grootste treinramp van ons land plaats. Met als gevolg 93 doden en 52 gewonden.
Na 50 jaar wordt nu een monument ter nagedachtenis aan deze "vergeten" ramp geplaatst.

Na een kerstvakantie bij mijn grootouders in Utrecht te hebben doorgebracht reisde ik samen met mijn broer en beide grootouders terug naar Rotterdam. De blauwe trein stond inmiddels gereed. Het was erg druk op het perron en we liepen langs de rijtuigen op zoek naar een "niet roken" coupé omdat mijn opa astmatisch was.
Het eerste rijtuig direct achter de locomotief bleek alleen 1e klas te zijn daarna volgden een 2e klas roken rijtuig en vervolgens een gecombineerde restauratie en bagage rijtuig. Wij stapten in het vierde rijtuig. Door de grote drukte konden we niet bij elkaar zitten. Mijn broer zat met oma schuin aan de overzijde terwijl ik bij mijn opa op schoot moest zitten om ook andere mensen een zitplaats te bieden. Op de een of andere manier bekroop mij toen al een gevoel van onheil, vermoedelijk door het gedrang en de bedompte sfeer in combinatie met de kou en het wachten op vertrek. Met enige vertraging verlieten we Utrecht terwijl het tempo naar topsnelheid werd opgevoerd om wellicht de vertraagde tijd in te lopen. Na pakweg 10 à 15 minuten zette de trein plotseling een krachtige remming in en al kort daarna had ik het gevoel dat niet meer op de rails maar op de bielsen reden.
Van de klap heb ik niets gemerkt. Ik moet korte tijd buiten bewustzijn zijn geweest want ik kreeg na enige tijd weer indrukken van de realiteit.
Wat was het raar stil om mij heen en wat een stof vloog er door het rijtuig. Ik moet van de schoot van mijn opa gevlogen zijn en met mijn hoofd iets geraakt hebben want ik voelde dat ik net boven mijn linker oog een wond had waaruit bloed vloeide. Nadat ik, in mijn herinnering, mijn brilletje weer had gevonden kwamen er meer geluiden rondom mij van om hulp schreeuwende mensen. Het was een enorme chaos in het schuin omhoog staande rijtuig waarin bijna niet te lopen was.
Op de een of andere manier hebben we met hulp van medereizigers de deuropening gevonden en konden we afdalend over een naastliggend onderstel het rijtuig verlaten.
Na enige tijd stonden ook mijn oma en broer bij ons en kregen we een indruk van de grote ravage. Ik herinner mij alleen nog flarden van wat ik aan beelden en geluiden waarnam. Tegen het transformatorhuis zat een man onderuitgezakt die in mijn beleving helemaal zwart in het gezicht was. Ik herinner mij ook een gat in de grond waarin zich een schroefveer van een wielstel bevond.
Veel details heb ik van dat moment niet meer en bovendien zullen de tranen mijn zicht wel hebben beperkt. Na enige tijd verlieten wij de rampplek door een opening in de afzetting en liepen in de mist samen met medereizigers richting een boerderij. Via het erf en de openbare weg zijn we in het restaurant De Putkop opgevangen en verzorgd. Wat ik als heel vervelend heb ervaren waren de opdringerige journalisten die ons met vragen lastig vielen.
Vandaar is mijn oma op transport gegaan naar een ziekenhuis in de omgeving om haar hoofdwond te laten verzorgen. Mijn opa en broer mankeerden gelukkig niets. Op mijn hoofdwond werd door iemand van het restaurant een pleister geplakt. Veel dank nog voor de goede zorg.
Nadat mijn oma enige uren later terugkeerde zijn we later die middag per bus richting Woerden vertrokken. Bij vertrek van de rampplaats passeerden we de spoorwegovergang en hadden we nog een keer zicht op de verwrongen staal massa en de rij stoffelijke overschotten die langs de berm lagen.
Laat in de middag kwamen wij uiteindelijk per trein vanuit Woerden in Rotterdam aan waar mijn opa de treinkaartjes inleverde en zijn geld op eiste omdat de reis niet naar wens was verlopen. We hebben ons altijd over deze actie verbaast.
Over nazorg werd in die dagen niet nagedacht. Kort erna gingen we weer naar school en een week later weer met de trein naar opa en oma in Utrecht. Het angstzweet stond mij nog vele jaren tijdens het passeren van de rampplaats in mijn handen.

Er werd nooit meer over gesproken.